Coaching traject - Blokkeren op het veld

Gepubliceerd op 30 juni 2026 om 12:11

Bij spelers die blokkeren tijdens een wedstrijd, gaat het vaak niet om hun voetbaltechniek maar om de vertaling van wat ze kunnen, en het durven laten zien onder druk.

Van belang hierbij is, dat we het brein en lichaam gaan trainen zodat de speler op het veld kan vertrouwen op wat hij/zij al beheerst.

Om een indruk te geven hoe ik zo'n traject in ga met een speler, heb ik hieronder een voorbeeld beschreven.

Doel:

  • Meer vertrouwen in eigen kwaliteiten;
  • Minder bezig zijn met fouten of verwachtingen;
  • Sneller schakelen na een mislukte actie;
  • Met lef keuzes maken tijdens wedstrijden.

 

Fase 1 – Vertrouwen en inzicht (60 min)

Doel: begrijpen wat er onder de blokkade zit.

Onderzoek samen:

  • Wat betekent presteren voor jou?
  • Waar ben je bang voor als het misgaat?
  • Voor wie speel je eigenlijk?
  • Wanneer begon dit gevoel?
  • Wat vertel je jezelf vlak voor een wedstrijd?
  • Wat gaat er door je hoofd na een fout?
  • Wanneer speelde je juist wél vrij?

Vaak blijkt dat spelers niet bang zijn om te verliezen, maar om afgewezen, bekritiseerd of teleurgesteld te worden.

Coaching vraag:
"Stel dat je vandaag de slechtste wedstrijd van het seizoen speelt. Wat zegt dat volgens jou over jou als persoon?"

Die vraag brengt vaak de overtuigingen naar boven die onder de prestatiedruk liggen.

Laat ze een cijfer geven:

  • Zelfvertrouwen training: __/10
  • Zelfvertrouwen wedstrijd: __/10

 

Fase 2 – Overtuigingen veranderen (sessie 3-4)

Veel onzekere spelers denken aan:

  • "Ik mag geen fouten maken."
  • "Iedereen kijkt naar mij."

Werk met beperkende overtuigingen.

Bijvoorbeeld:

  • Belemmerende overtuiging - Helpende overtuiging;
  • Ik mag geen fouten maken - Fouten zijn informatie;
  • Ik moet bewijzen dat ik goed ben - Ik hoef niets te bewijzen, ik laat zien wat ik kan;
  • Iedereen beoordeelt mij - Iedereen is vooral met zijn eigen wedstrijd bezig.

Laat de speler zelf bewijs verzamelen vóór en tégen deze gedachten. Zo leert hij dat gedachten niet automatisch feiten zijn.

Leer jezelf je aandacht te richten op acties.

 

Fase 3 – Emotieregulatie (sessie 5-6)

Leg uit wat er in het lichaam gebeurt bij spanning.

Wanneer de speler begrijpt dat een verhoogde hartslag, gespannen spieren en een droge mond normale stressreacties zijn, worden deze signalen vaak minder bedreigend.

Oefen met:

  • ademhaling, 4x diep inademen; 
  • lichaamsbewustzijn, schouders ontspannen;
  • een resetroutine, 1 positieve herinnering aan een goede actie;
  • aandacht terugbrengen naar het huidige moment, verzin een focuszin.

Bijvoorbeeld:

  • "Speel simpel."
  • "Durf"
  • "Ik kan dit"
  • "Ik vertrouw mijn training."

Door iedere wedstrijd dezelfde routine te gebruiken ontstaat herkenning.

De boodschap is niet: "Je moet ontspannen." Maar: "Je kunt ook mét spanning goed voetballen."

Leer de regel:

Fout → reset → volgende actie.

 

Fase 4 – Trainer bij betrekken (7)

In plaats van direct oplossingen te geven, help je de speler zelf inzicht te krijgen. Dat doe je met vragen als:

  • Wat gebeurde er precies op dat moment?
  • Welke gedachte schoot door je hoofd?
  • Wat voelde je in je lichaam?
  • Hoe reageerde je daarop?
  • Wat zou je een teamgenoot adviseren in dezelfde situatie?
  • Welke kleine stap wil je volgende week zetten?

Deze manier van coachen vergroot eigenaarschap en maakt de kans groter dat veranderingen ook onder wedstrijddruk standhouden.

De trainer kan helpen door:

Niet te roepen: 'Wat doe je nou?!'

Maar door wel: 'Ik wil vandaag zien dat 5x het initiatief neemt', 'een fout maken mag, ik kijk naar je reactie erna', ik vertrouw erop dat jij dit kunt'. 

Of

Niet:

"Goed gedaan."

Wel:

"Je bleef na die fout direct aanspeelbaar. Dat is precies wat we willen."

Tijdens wedstrijden

Probeer minder coachend en meer begeleidend te zijn.

Gebruik korte zinnen.

Bijvoorbeeld:

  • "Volgende bal."
  • "Blijf bewegen."
  • "Goed gezien."
  • "Speel simpel."
  • "Prima geprobeerd."
  • "Doorgaan."

Vermijd:

  • "Niet bang zijn."
  • "Geen fouten maken."
  • "Waarom doe je dat?"
  • "Je moet gewoon durven."

 

Fase 5 – Zelfstandigheid (8-9)

Laat de speler zelf evalueren.

Vraag jezelf na de wedstrijd:

  • Waar ben ik trots op?
  • Wat wil ik volgende week meenemen?
  • Wat was mijn beste actie?
  • Hoe goed hield ik mijn focus? (1-10)

 

Fase 6 – Hou je successen bij (10-11)

De speler houdt voor zichzelf een schriftje bij. Na elke training noteert hij/zij:

  • 3 dingen die goed gingen.
  • 1 leerpunt.
  • 1 actie waar hij/zij trots op is.

Na enkele weken ontstaat een verzameling van concrete successen waar de speler voor een wedstrijd op kan terugkijken. Dat helpt om het gevoel van "ik kan dit niet" te vervangen door bewijs van wat al wél lukt.

 

Fase 7 – Evaluatie (12)

Tijdens deze fase kijken waar de speler nu staat? Kan ik nog tips mee geven, kan de speler nu zelfstandig aan de slag of zijn er nog meer sessies nodig?

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.